• Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
klogozwart

Vogelbeschermingswacht Zaanstreek
Werkgroep Roofvogels en Uilen

Havikachtigen

Latijns: Accipitridae

BLAUWE KIEKENDIEF Circus cyaneus, Hen Harrier, Kronweihe, Busard Saint-Martin

Kenmerken; Iets kleiner dan bruine kiekendief. Uilachtige kop. Mannetje licht blauwgrijs verenkleed met zwarte vleugelpunten. Vrouwtje en juvenielen bruin. Alle met kenmerkende witte stuitvlek.

Vrouw 527 gram SW 120 cm. Man 346 gram, SW 90 cm.

Gem. lft. 5 jaar. Max. 17 jaar.

Geluid; buiten broedtijd zwijgzaam. Alarmroep kwetterend tsjit-tsjit

foto © Piet Munsterman

foto van het internet.

BRUINE KIEKENDIEF Circus aeruginosus, Marsh Harrier, Rohrweihe, Busard des roseaux

Kenmerken;   De grootste kiekendief. Slanke vogel met lange vleugels. Vrouwtjes (blondines) en juvenielen donkerbruin met lichte kop. Juvenielen 1e jaar ook lichte keelvlek en schouders en 2e jaar sterk verbleekt verenkleed. 2e of 3e Jaar volwassen. Mannetje driekleurige bovenzijde, zwart, bruin en grijs. Lage zoekvlucht, schommelend met vleugels in open V na telkens 5-10 vleugelslagen boven riet en open land. Vrouw 670 gram. SW (vleugelspanwijdte) 140. Man 500 gram. SW 115 cm. Gem. lft. 5 jaar, max. 17 jaar

Geluid; Meestal zwijgzaam. In baltstijd kievitachtig geluid. Bij alarm hoog kekkerend geluid. Bij het afgeven van prooi aan het vrouwtje een hoog fluitend psii.

Voedsel; Hoofdzakelijk kleine zoogdieren (75 %)zoals muizen en mollen en vogels (25%), vooral pullen. Maar ook aas, eieren, kikkers en vissen. Vrouwtje jaagt meestal binnen enkele honderden meters van het nest, het mannetje gaat tot enkele km’s. Jaagt ook boven open water en put prooi uit, door die steeds onder water te laten duiken.

Voorkomen; Schaarse broedvogel van rietkragen, moerassen en akkers, vooral in het westelijk deel van NL. In Nl in 1970 ca. 75 paar , 2014 ca. 1000 paar. Zaanstreek : ca. 10 paar. Aantal broedparen neemt af door verdroging moerasgebieden, waardoor nestplaatsen beter toegankelijk zijn voor predators o.a. vossen en door voedselconcurrentie van de meer succesvolle buizerd. De meeste vogels zwerven en trekken in de nazomer zuidwaarts naar Spanje, Portugal en gebieden ten zuiden Sahara. Groot aantal doortrekkers uit NO Europa. In wintergebieden grote gemeenschappelijke slaapplaatsen. Verspreid over het land enkele overwinteraars, de meeste in Zeeland met 150-200 ex, waarvan de meeste onvolwassen.

Voortplanting; Mannetje vertoont in voorjaar imponerende balts; steil omhoog vliegen, dalende zig-zag vlucht, razend snel kantelen (blinken) schril roepend, spectaculaire prooioverdracht in de lucht aan vrouwtje en schijnaanvallen. Soms zoals bij meer roofvogels het hoog in de lucht in elkaar haken van de klauwen, om elkaar draaiend vallen om vlak boven de grond los te laten. Laagvliegend mannetje met hangende poten is indicatie voor aanwezigheid van vrouwtje. Bodembroeder van riet en open veld. Vrouwtje bouwt groot slordig nest van gras en riet voor het broedsel en het mannetje in de buurt enkele rust- en roestnesten. Jaagt voor vrouw en jongen. Geeft prooien in de lucht aan het vrouwtje over maar laat prooi ook wel plompverloren in het nest vallen. Vrouwtje gaat, wanneer de jongen enkele weken zijn, ook weer jagen. Polygamie komt regelmatig voor in goede voedselgebieden; mannetje heeft in territorium meerdere vrouwtjes, waarvan de nesten bij elkaar in de buurt liggen. Recent is vastgesteld dat er mannetjes voorkomen met een vrouwelijk verenkleed. Daardoor kan hij jagen in het territorium van andere mannetjes zonder verjaagd te worden. Jonge kieken verlaten, om predatie te voorkomen, al voor dat ze kunnen vliegen het nest. Ca. 30 % van de hier zomers verblijvende kiekendieven zijn onvolwassen.

Jonge Kiekendief. foto © Jos Spijkerman

foto © www.inenomootmarsum.nl

foto © Rein Hofman

BUIZERD Buteo buteo, Common Buzzard, Mäusebussard, Buse variable

Kenmerken; Forse vogel met brede vleugels en brede afgeronde licht gebandeerde staart. De Ruigpootbuizerd, die hier alleen in de winter voorkomt, heeft lichte staart met zwarte eindband. Het verenkleed van de Buizerd varieert individueel van donkerbruin tot wit, vrijwel alle met donkere polstekening. Donkere of lichte vorm is via de moeder ingeprent. Vogels reageren onderling het sterkst op eigen kleur als partner en als rivaal. Adult licht dwars gebandeerde borstband en donkere iris. Juveniel borst in lengte licht gestreept en lichte iris. Hoge zweefvlucht. Bidt soms. Paalzitter. Vrouw 865 gram. SW 140. Man 700 gram. SW 115 cm. Gem.lft. 4 jaar, max. 18 jaar

Geluid; Hoog, klagend miauwend.

Voedsel; ca. 75% aas (vooral in winter en voorjaar) en kleine zoogdieren (tot 500 g), 25 % vogels, vissen, wormen en insecten. In goed muizenjaar 90 % muizen, in slecht jaar 20%. In het algemeen moeten ze het hebben van niet al te snelle prooien. In de zomer met voldoende thermiek op hoogte speuren naar muizen en mollen. Vaak banjertechniek. Rustig lopend door het gras zoekt de buizerd net als een kip insecten en regenwormen.

Of in de winter, bij gebrek aan thermiek de stand jacht. Rustig paalzitten en om je heen speuren naar een muis , die zo onverstandig is om met zijn kop boven het maaiveld

uit te komen. Dan er snel op af, zo laag mogelijk boven de grond vliegend, voor een maximaal verrassingseffect. De zuidelijke  bermen van de snelwegen zijn favoriet want die zijn het droogst en muizen rijkst.

Ook piraterij, zelfs van haviken, komt voor. Als aaseter vaak slachtoffer van vergiftigd aas.

Voorkomen; Broedvogel van bij voorkeur loofbossen. Maar neemt ook genoegen met kleine boomgroepen in het vlakke land. Nederlandse vogels zijn hoofdzakelijk stand- en zwerfvogel. In Nl. sinds 1990 bijna verdubbeld tot ca. 10.000 paar. Zaanstreek ca. 30 paar. Talrijke doortrekker en overwinteraar. In winter veel vogels uit Zuid-Scandinavië, Denemarken en Noord-Duitsland.

Voortplanting; Buizerds verblijven het hele jaar in of in de buurt van hun territorium. In vroege voorjaar vooral op zonnige dagen met veel wind, zijn opvallende baltsvluchten met meerdere hoogcirkelende, miauwende vogels te zien. Vaak ook paarsgewijs boven de nestplaats. Broedt hoog in bomen in zelfgebouwd nest, dat bij succes vaak meerder jaren gebruikt wordt. Vaak komen ook territoriale paren voor, die niet broeden. De hoogte van de zitplaats tijdens de standjacht is bepalend voor de status. Gevestigde paren zitten op de beste uitkijkposten. Wintergasten en juvenielen moeten genoegen nemen met lagere plaatsen.

Jonge Buizerd op het Nest. foto © Jos Spijkerman

Bijna volwassen buizerd, prachtige goudkleurige gloed in het verenpakket. foto © Jos Spijkerman

 

GRAUWE KIEKENKDIEF, Circus pygargus, Montagu’s Harrier, Wiesenweihe, Busard cendré

Kenmerken: Zowel man als vrouw lijken sterk op Blauwe Kiekendief, maar zijn wel iets kleiner en slanker. Man is donkerder blauwgrijs en heeft 1 zwarte vleugelstreep boven- en 2 aan de onderzijde en geen witte stuitvlek. Vrouw heeft lichtere koptekening en kleinere witte stuitvlek. Juveniele Blauwe en Grauwe Kiekendieven zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden.

L 43-50 cm. SW 98-110 cm.

Geluid: kekker hoger en scheller dan van Blauwe Kiekendief.

Voedsel: Slaat vooral kleinere prooien;muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten die vaak op grote afstand van het nest worden verzameld. Hij slaat ook vogels in de vlucht, wat andere kiekendieven niet kunnen.

Voorkomen: Vogel van uitgestrekte steppengebieden en moerassen, vooral in Noordoost Europa. In Europa ca. 40.000 broedparen. In Nederland zeer schaarse broedvogel met ca. 35 broedparen vnl. in Groningen en Flevo. Trekvogel, die overwintert ten zuiden van de Sahara. Grauwe Kiekendieven vliegen tijdens de trek elke keer ca. 200 km en slapen tijdens de nacht onderweg, vaak in bomen. In Afrika waaieren ze uit over een groot gebied. Zenderonderzoek met 50 vogels afkomstig uit Groningen, Noord Duitsland. Polen en Rusland heeft veel data opgeleverd over trekgedrag en routes.

foto© Mervyn Roos

HAVIK Accipiter gentilis, Northern Goshawk, Habicht, Autor des palombes

Kenmerken; Forse roofvogel met korte, afgeronde vleugels en lange staart voor sprintvlucht; aantal korte vleugelslagen, gevolgd door glijvlucht. Groot verschil tussen man en vrouw in lichaamsgrootte en prooi. Cirkelt bij goede thermiek op grote hoogte zonder vleugelslagen en met gespreide staart. Vlagt daarbij tijdens balts met witte onderbroek.

Bovenzijde vrouw leigrijs, man blauwgrijs. Beide streng uiterlijk door lichte wenkbrauwstreep. Onderzijde adulten grijs horizontaal gestreept. Juvenielen bruin verticaal gestreept.

Vrouw 1000 gram, SW 115 cm. Man 690 gram, SW 95 cm. Gem.lft. 4.5 jaar, max. 17 jaar

Geluid; snel gekekker, vooral in de buurt van het nest.

Voedsel; 95 % jonge vogels, soorten waarvan er het meeste voorhanden zijn en 5% zoogdieren. Doodt prooi tot 1 kg door knijpen met tenen. Lage verrassingsvlucht door bos met stootduiken. Achtervolgt prooien ook te voet op de grond en door struiken. In open gebieden ook standjacht vanaf hek of paaltje (vooral in de winter) en jaagt dan vlak boven de grond.

Voorkomen; Standvogel. Vroeger vooral bosvogel, tegenwoordig overal als er maar bosjes in de buurt zijn. Door eeuwenlange vervolging schuw en weinig zichtbaar. In 1963 in NL ca. 20 paar nu 2014 ca.1800 paar. Zaanstreek 10 paar.

Voortplanting; Bouwt zelf groot nest meestal halverwege tegen boomstam. 1-5 witte eieren. Versiert nest met fris groen. De Havik is een geduchte jager. Sinds de komst van de Havik in nieuwe gebieden zijn de broedresultaten van Ransuil, Boomvalk en Sperwer sterk gereduceerd. Ook van Groene Specht, Ekster, Kauw en Bosuil in b.v. duingebieden.

RODE WOUW, Milvus milvus, Red Kite, Rotmilan, Milan royal

Kenmerken: Slanke roofvogel met diepgevorkte roodbruine staart en lichte kop. In vlucht opvallend witte vleugelvlekken en lange smalle licht geknikte vleugels. L 55-60. SW 160-180

Voedsel: Zoogdieren en vogels en ook wel vis. Lage zoekvlucht. Slaat ook insecten, kraaien en meeuwen in de vlucht. Ongewervelde worden lopend gevangen.

Voorkomen: Broedvogel van afwisselend heuvelachtig landschap met bossen, akkers en meren in Midden Europa van Zuid Zweden en Zuid Engeland tot in Spanje en Italië met ca. 27.000 broedparen. In Zuid Europa standvogel, in overig Europa trekvogel, die overwintert in Zuid Europa, Turkije en Noord Afrika. In Nederland incidenteel broedvogel in zuiden en oosten en schaarse doortrekker en wintergast.

RUIGPOOTBUIZERD, Buteo lagopus, Rough-legged Buzzard, Raufussbussard, Buse pattue

Kenmerken; Vooral van Buizerd te onderscheiden door lichte staart met donkere eindband. In vlucht vooral door zwarte polsvlekken en donker buikschild. Poten bevederd tot op teenbases. Buizerd heeft onbevederd geel loopbeen. Bidt vaak met langzame vleugelslagen. L 50-60 cm. SW 120-150 cm.

Voedsel; Muizen, mollen en konijnen, soms vogels.

Voorkomen; Broedvogel van Noord Scandinavië rond de boomgrens en in Noordoost Europa in de overgangszone tussen toendra en taiga. Europese populatie is ca. 100.000 broedparen. Overwintert in West en midden Europa. In Nederland schaarse doortrekker en wintergast van september tot eind april.

SLANGENAREND Circaetus gallicus, Short-toed Eagle, Schlangenadler, Circaète Jean-le-Blanc

Kenmerken: Grote arend, groter dan visarend en veel groter dan Buizerd. Lijkt op grote lichte Buizerd. In alle kleden meestal lichte onderzijde, soms effen wit. Ronde donkere uilachtige kop, kleine snavel en grote oranje ogen. Vrij lange staart met 3-4 vage banden. Vlucht langzaam met diepe vleugelslag en kenmerkende glijvlucht met gehoekte vleugels. Zweeft in cirkels met iets geheven vleugels, waarvan de achterkant gekarteld lijkt en bidt veelvuldig met vaak neerhangende poten. SW 175-195 cm. L 59-62 cm.

Voedsel: Specialist in reptielen met een voorkeur voor slangen. Slangen worden in de nek gepalt en grotere worden meteen op de grond gedood. Ze zijn niet immuun voor slangengif, maar de geschubde poten en het dikke verenkleed bieden enige bescherming. Het aantal gevangen adders is relatief gering. In natte zomers kleine zoogdieren, jonge vogels, regenwormen en kevers. Daalt meestal trapsgewijs als Torenvalk maar stootduikt ook van grote hoogte. Standjacht vanaf palen en boomtoppen.

Voorkomen: Broedvogel van droge heuvelachtige natuurgebieden met afwisselende begroeiing in Zuid- en Oost-Europa. Ca. 10.000 broedparen vooral in Spanje, Portugal, Frankrijk en Kroatië.

Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. De soort lijkt zich naar het Noorden uit te breiden. In Nederland overzomeren de laatste jaren 10-20 merendeels juveniele vogels op de Hoge Veluwe en in het Fochtelooerveen.

SPERWER Accipiter nisus, Eurasian Sparrowhawk, Sperber, Epervier d’Europe

Kenmerken; Kleine roofvogel. Uiterlijk vrouw Sperwer gelijk aan vrouw Havik, alleen veel kleiner formaat. Man en vrouw Sperwer leigrijze kop en rug. Veel kleinere man licht roodbruine dwarsgestreepte borst en buik. Vrouw lichtgrijze dwars gebandeerde borst en buik. Juveniel bruingrijs met geschubde bovenzijde en grof dwarsgestreepte borst. Typische vlucht; cirkelt op grote hoogte met snelle vleugelslagen afgewisseld met korte zweefperioden.

Vrouw 270 gram SW 75 cm. Man 170 gram SW 60 cm. Gem.leeft. 2.5 jaar. Max. 12 jaar.

Geluid; Zwijgzaam buiten broedseizoen. Balts- en alarmroep snel kju-kju-kju.

Voedsel; 95% kleine vogels als mus en spreeuw. Vrouwtje Sperwer wil nog wel eens groter prooien als Tortelduif of jonge Kauw slaan. Vliegt tijdens de jacht laag, gebruikmakend van dekking om plotseling op te duiken in een groep foeragerende vogels, die in paniek in de struiken verdwijnen. De sperwer probeert ze daar uit te jagen door met de vleugels tegen de struiken te slaan of de struik binnen te gaan. Tijdens wilde verrassingsjachtvlucht sneuvelen nogal eens Sperwers. Jaagt tegenwoordig , vooral in de winter, volop tussen de bebouwing en in steden, vooral op mussen.

Voorkomen; Broedvogel van bossen met open gebieden. Tegenwoordig ook in steden en dorpen. Maar is daar waar geen mussen meer zijn, inmiddels weer verdwenen. Stand- , zwerf- en trekvogel. Nl. ca. 5000 broedpaar. Zaanstreek ca. 5 paar. Leeft teruggetrokken in broedtijd en weet nest goed te verbergen, zodat de aantallen waarschijnlijk hoger zijn. In de winter meer aanwezig.

Voortplanting; Bouwt zelf moeilijk te vinden nest in vooral jonge bomen. 4-7 eieren. Bij vitamine B2 gebrek geen, minder of onvruchtbare eieren. Vitamine B2 wordt alleen door planten aangemaakt en komt via insecten in zangvogels. De aminozuren die sperwers tijdens het winterseizoen hebben opgedaan garanderen een goed transport van vit.B2 naar de eieren. Bij gebrek eraan verteren vrouwtjessperwers een deel van hun borstspier om over voldoende aminozuren voor de eieren te beschikken. Aminozuurgebrek is waarschijnlijk een gevolg van een overdaad aan stikstof in het milieu.

STEPPEKIEKENDIEF, Circus macrourus, Pallid Harrier, Steppenweihe, Busard pâle

Kenmerken: Lijkt op Blauwe en Grauwe Kiekendief. Maar man is veel lichter met witte keel en borst en geen witte stuitvlek. In vlucht heel licht van onder met zwarte vleugelpunten. Vrouw en juveniele zijn moeilijker en alleen te onderscheiden op verenkleeddetails. L 40-49 cm SW 90-109 cm.

Voorkomen: Broedvogel van steppes in Oost Rusland met 1000-2000 broedparen. Overwintert in India en via Eilat in Afrika. Wordt regelmatig van maart tot oktober het meest in september.

ver ten westen van zijn broedgebied in Zweden, Denemarken, Duitsland en Nederland waargenomen. Ook in midden en Zuid-Europa.

WESPENDIEF, Pernis apivorus, Honey-buzzard, Wespenbussard, Bondrée apivore

Kenmerken; Slanker dan Buizerd en Ruigpootbuizerd. Verschilt duidelijk in zit en vlucht door 2 zwarte banden aan begin van de langere staart en 1 zwarte band aan einde van de staart en kleine duifachtige kop. Mannetje zwarte vleugel achterrand en blauwgrijze kop. Variabel verenkleed en vlucht net als bij de Buizerd. L 52-60 cm SW 135-150 cm.

Geluid; Hoog fluitend kie en vlug kekkerend kiki, wordt echter zelden gehoord.

Voedsel; Eieren en poppen van bijen, wespen en mieren, die hij uitgraaft tot wel 40 cm diep of uit hangende nesten. Wordt nog al een verrast tijdens zijn graafwerk. Wordt door borstelige veren tussen snavel en ogen beschermd tegen steken. In voor- en naseizoen ook wel insecten, amfibieën, kleine zoogdieren en jonge lijsters, fruit en bessen. Jachttechnieken zijn zoekvlucht op ca. 15 m hoogte en standjacht vanaf uitzicht punt in een boom. Vandaar nemen ze uit het nest vliegende insecten waar. Maar ze vinden ook nesten door insecten over grote afstanden te volgen. Ook jacht te voet om insecten en sprinkhanen te vangen.

Voorkomen; Schaarse broedvogel van beboste gebieden in de oostelijke helft van Nederland. In Europa ca. 140.000 broedparen. In Nederland ca. 500 broedparen. Uitgesproken trekvogel, die in Afrika overwintert en pas in mei terugkeert.

Bijzonderheden; Volwassen met 2-3 jaar. Uitgebreide baltsvlucht. Paarbinding waarschijnlijk voor het leven. Beide bouwen het nest, hoog in een boom en vaak op een zijtak, het meest in loofbomen. Nest bestaat grotendeels uit loofhoudende takken. 1 Legsel met 1-3 eieren. In natte zomers vaak slechte broedresultaten.

ZEEAREND   Haliaeetus albicalla, White-tailed Eagle, Seeadler, Pygargue à queue blanche

Kenmerken; Zeer grote arend met lange brede vleugels (vliegende deur) en korte staart. Juveniele met bruine staart, adulten met witte staart. Grote uitstekende snavel en kop. Na 5 jaar volwassen kleed, beige kop en bleekgele iris pas na 10 jaar. Zit vaak onopvallend op de grond. Grootste roofvogel van Noord-Europa. SW 180-244 cm.

Voedsel; Jachttechniek; standjacht en zoekvlucht. Bij watervogels, meerkoet, wilde eend en gans volgt hij vaak de tactiek van uitputting. De arend duikt keer op keer op de zwemmende vogel tot deze aan het eind van zijn latijn is en zo uit het water opgepakt kan worden. Eet liefst verse vis en vers vlees (vogels en kleine zoogdieren). Posteert zich ook vaak bij een wak, wachtend op naar adem happende vissen of vastgevroren exemplaren. Eet ’s winters ook veel aas, wanneer bij vorst veel watervogels wegtrekken. Consumeert dagelijks ca. 600 gram vis of vlees.

Voorkomen; Talrijke broodvogel in Noordoost Europa. Stand- en zwerfvogel . In Nederland in 2006 eerste broedgeval in Oostvaarder plassen. 2014 - 5 broedparen in Oostvaarder plassen, Biesbos en Lauwersmeer Volwassen vogels blijven meestal in de buurt van het nest. Juvenielen zwerven tot honderden kilometers uit. Meeste overwinteraars (ca. 25) in Nederland zijn juvenielen uit Noord- en Oost-Europa.

Voortplanting; Nestelt solitair, het liefst in een hoge boom indien aanwezig, anders ook in lage bomen. Gebruikt verschillende nestplaatsen binnen een territorium. Het nest is een massief bouwsel van takken, de kom bekleed met groene planten en soms met wol. 1 Legsel met 1-3 , meestal 2 witte eieren, die met tussenpozen 2-4 dagen worden gelegd. Broedduur 5-9 weken. Nestduur 10-13 weken, daarna zijn de jongen nog minstens 5-6 weken van ouders afhankelijk. Van Europese zeearenden wordt slechts 10% volwassen.

ZWARTE WOUW, milvus migrans , Black Kite, Schwarzer Milan, Milan noir

Kenmerken; Donkere roofvogel met ondiep gevorkte langestaart met scherpe hoeken. Sierlijke vlucht met diep vlegelslagen en vaak draaiende staart. Wouwen vliegen met iets neerwaarts gebogen vleugels, kiekendieven met iets geheven vleugels. L 55-60 cm. SW 130-155 cm.

Voedsel: Aas, afval, vis, kleine dieren en insecten. Houdt zich vaak op bij vuilnisbelten en visserijhavens. Zoekvlucht op 10-60 m is zijn belangrijkste jachttechniek. Doet ook aan piraterij.

Voorkomen; Broedvogel van hoog opgaande bossen direct bij water in de Zuid-, Midden en Oosteuropa met ca. 90.000 paren. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. Ca. 40.000 vogels passeren jaarlijks Gibraltar. In Nederland schaarse doortrekker in zomerhalfjaar in waterrijke gebieden. Jaarlijks enkele succesvolle broedgevallen in Limburg en Brabant.

 

Literatuur

- Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels 1996, Rob G. Bijlsma

- Handleiding Veldonderzoek Roofvogels 1997, Rob G. Bijlsma

- Roofvogels en Uilen in Europa 1999, Henk van den Brink

- Veldgids Roofvogels 2005, Benny Gensbol

2015 Marcel Boer/ werkgroep Roofvogels en Uilen, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek