• Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
  • Header
klogozwart

Vogelbeschermingswacht Zaanstreek
Werkgroep Roofvogels en Uilen

Families

Over roofvogels en uilen...

In de Zaanstreek broeden jaarlijks ca. 100 paar Roofvogels en ca. 35 paar Uilen. De meeste nesten worden jaarlijks opgespoord door leden van de Werkgroep Roofvogels en Uilen van de Vogelbeschermingswacht "Zaanstreek". Vrijwel alle jongen worden gewogen, gemeten en geringd. Alle nest- en broedgegevens worden landelijk verwerkt door de landelijke Werk-groep Roofvogels Nederland. Zo is van jaar tot jaar duidelijk vast te stellen of het goed of minder gaat met de verschillende soorten. Vaste doortrekkers in voorjaar en herfst zijn 1 tot 3 visarenden, smellekens, sperwers, wespendieven en sporadisch een roodpootvalk. Tot de vaste gasten gedurende de hele winter behoren 5 tot 10 slechtvalken, 2 tot 4 blauwe kiekendieven en heel soms een enkele dag een zeearend.

Voor de komende jaren wordt een afname van het aantal roofvogels in de Zaanstreek verwacht als gevolg van nieuwe beheermaatregelen door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de Provincie. De natuurorganisaties kiezen voor de weidevogels in Laagholland, waar de Zaanstreek onderdeel van is. Er worden de komende jaren zoveel mogelijk bomen en ruigtes opgeruimd en riet- en pitrusvelden weer tot weidegebied gemaakt, ten koste van de roofvogels en uilen.

Roofvogelexcursies

In de maand juni organiseert de Poelboerderij (Bezoekerscentrum voor het Wormer- en Jisperveld) vijf speciale vaarexcursies, die geleid worden door leden van onze werkgroep.  Vooraf aan de vaartocht geven zij een snelcursus “Roofvogels herkennen”. En indien mogelijk geven zij aan boord  een ringdemonstratie van jonge buizerds of torenvalken. In deze tijd van het jaar hebben roofvogels jongen en moet er veel gejaagd worden. Daarom is er nu de meeste kans op het zien van een jagende Slechtvalk, Buizerd, Torenvalk en Bruine Kiekendief. Kleine kans op Boomvalk, Havik en Sperwer.  Info; zie website Poelboerderij.

 

kaart ©Jasper de Ruiter ( www.tringa-paintings.nl )

ROOFVOGELS

 INLEIDING

De meeste mensen vinden roofvogels , als ultieme vertegenwoordigers van wilde ongetemde natuur, fascinerend en zijn van mening dat zij niet alleen onze bewondering maar ook onze bescherming verdienen. Maar ondanks alle moderne kennis over het nut van roofvogels zijn er nog steeds groepen mensen, die menen dat roofvogels schadelijk zijn en bestreden moeten worden.

Predators; roofvogels en roofdieren zijn noodzakelijk voor een gezond en divers eco-systeem. Zij staan aan de top van de voedselketen en zorgen voor spreiding en gezondhouding van populaties vogels, zoogdieren, reptielen en insekten. Wat indirect ook van gunstige invloed is op de flora en overige fauna. Een mooi voorbeeld zijn de Wapitiherten in het Yellowstone park. Na herinvoering van wolven in het park werd de populatie herten nauwelijks kleiner maar merkbaar vitaler. De wolven ruimden niet alleen zwakke en zieke dieren op, maar zorgden er vooral voor dat de kuddes in beweging bleven. En doordat de herten meer gespreid het gebied begraasden en niet als voorheen hele stukken kaal vraten, werd het hele natuurpark opener en soortenrijker aan planten en daarmee aan insekten, kleine zoogdieren en vogels.

Neemt het aantal prooidieren toe dan neemt ook de vruchtbaarheid en het aantal roofvogels toe en omgekeerd. Bij een hoge predatiedruk neemt de vruchtbaarheid van de prooidieren toe. Bovendien trekken veel roofvogels na een slecht muizenjaar weg om elders voedsel te zoeken. In uitzonderlijke gevallen kunnen predators andere populaties sterk doen afnemen, maar nooit tot op het niveau van uitsterven.  

Afname en uitsterven van bepaalde planten- en diersoorten zijn vrijwel altijd te wijten aan drastische menselijke ingrepen in het eco-systeem, zoals verstedelijking, ontbossing, overbevissing, intensieve landbouw en ander natuurbeheer. Ontbreken van predatoren kan leiden tot funktieverlies (bv. de vliegfunktie) en dwergvorming en maakt soorten kwetsbaarder voor uitsterven. Predators zijn belangrijke aanjagers van evolutie en daarmee van een grotere biodiversiteit.

AANTALLEN EN SOORTEN

Er zijn ca. 300 soorten roofvogels op de wereld, waarvan alleen de Visarend en de Slechtvalk op alle continenten voorkomen. In West-Europa broeden ca. 30 soorten. In Nederland broeden 13 roofvogelsoorten met in totaal ca. 100.000 vogels. Zij worden ingedeeld naar 3 families; visarenden, havikachtigen en valken. Van de visarenden bestaat slechts een soort. Tot de havikachtigen horen arenden, buizerds, gieren, wouwen, sperwers, haviken en kiekendieven. Valken zijn genetisch meer verwant aan papagaaien en zangvogels dan aan havikachtigen.

 Roofvogels in Nederland

In Nederland zijn Boomvalk, Torenvalk, Slechtvalk, Buizerd, Havik, Sperwer en Bruine Kiekendief algemeen voorkomende broedvogels. Wespendief, Blauwe en Grauwe Kiekendief zijn schaarse broedvogels. De Zeearend is een nieuwe broedvogel en de Visarend wordt in de komende jaren verwacht als broedvogel. Slangenarend, Rode en Zwarte Wouw zijn incidenteel broedvogel.

 Aantal broedparen in Nederland

soort 60tiger jaren 90tiger jaren 2010
Boomvalk 1.000 1750      500
Torenvalk 2.000 7.500    5.000
Slechtvalk        0      10      100
Buizerd    100 8.000 10.000
Havik      20 2.000    1.800
Sperwer    750 4.000    4.500
Bruine Kiekendief      75 1.400    1.200

Steppekiekendieven en Roodpootvalken trekken in gering aantal door in herfst en voorjaar. Vale Gier is meestal in groepjes incidenteel zwerfvogel. De Ruigpootbuizerd en Smelleken zijn hier een regelmatige wintergast.

  

De meest talrijke en meest opvallende roofvogels zijn de paalzittende Buizerd en de biddende Torenvalk. De meest spectaculaire roofvogels zijn Boomvalk en Slechtvalk als supersnelle luchtjagers en de Zeearend vanwege zijn enorme vleugelspanwijdte van 2 -2,5 meter.

VOEDSEL

De meeste roofvogelsoorten hebben een beperkte voedselkeuze, sommige zijn zelfs uitgesproken gespecialiseerd. Torenvalken eten vooral veldmuizen. Een koude winter en voorjaar brengt de gras- en gewasgroei laat op gang en daarmee ook het voortplantingsseizoen van de veldmuizen. Maar bij voedselschaarste eten de meeste roofvogels alles wat ze te pakken kunnen krijgen, ook wormen. Bovendien bestaat het menu voor het overgrote deel uit veel voorkomende en makkelijk te vangen prooien, vooral jonge en zwakke exemplaren. Niet zelden worden ook oude en jonge vogels van het nest geroofd, zelfs van andere roofvogels en soortgenoten. Havik en Buizerd doen dat bij elkaar maar ook bij Boomvalk en Sperwer.

Piraterij, het afpakken van prooi komt voor, vooral onder zeearenden, wouwen en buizerds.

Zelfs de trage Buizerd ziet kans prooien van Havik of Kiekendief af te pakken. Onverteerbare delen van het voedsel worden uitgebraakt.

Voedsel                      Roofvogelsoort

Aas Gieren, Wouwen en Buizerds
Insecten Wespendieven en Boomvalken
Reptielen Slangenarend
Vissen Visarend en Zeearend
Kleine zoogdieren Torenvalk, Bruine en Blauwe Kiekendief , Buizerd
Kleine Vogels Sperwer, Boomvalk en Grauwe Kiekendief
Grote Vogels Havik, Slechtvalk en Zeearend

Aaseters zijn vaak slachtoffer van vergiftigd aas. De Buizerd is een grote maar beetje trage jager. Hij vangt vooral veel kleine prooien. Het gemiddelde prooigewicht bedraagt slechts 5 % van zijn eigen gewicht. Bij Havik en Slechtvalk is dat gemiddeld 15%. Een Buizerd heeft per dag een stuk of 5 muizen nodig, maar als hij een jong konijn vangt, is dat voor een dag genoeg. Een Torenvalk heeft dagelijks 2 tot 4 muizen nodig. Een Havik heeft aan een duif per dag meer dan hij op kan. De rest van de dag rust hij. Vandaar dat je roofvogels niet vaak te zien krijgt. Behalve in de baltstijd en wanneer ze jongen hebben, want dan moet er langer gejaagd worden. Dan heb je de meeste kans roofvogels in actie te zien.

Valken en Visarenden plukken hun prooien liefst op een hoge plek in een hoge kale boom of mast. De overige vaak op de grond, vooral wanneer deze te zwaar zijn om vliegend te transporteren.

Tijdens overwinteren in Afrika zijn niet treksprinkhanen maar sedentaire sprinkhanen voor veel soorten roofvogels een belangrijke voedselbron. In Nederland zijn muizen het stapelvoedsel voor veel roofvogels en uilen. Jaren met muizenpieken komen steeds minder voor. Dat is het gevolg zijn van intensieve landbouw en moderne verwerking en opslag. Bijlsma toont ook aan dat er b.v. voor de bosmuis verbanden zijn met goede mastjaren met veel beukennootjes en het aantal grootgebrachte buizerds. En hoe het aantal teken daarmee correleert.

Elke roofvogelsoort heeft zijn eigen specifieke jachttechniek.

Jachttechniek                                  Roofvogelsoort

Zweefvlucht   op grote hoogte Gieren
Zweefvlucht op midden hoogte Buizerd
Zweefvlucht op geringe hoogte Kiekendief
Stilstaande vlucht (bidden) Torenvalk en Ruigpootbuizerd
Standjacht vanaf zitpost Buizerd
Lage verrassingsvlucht Kiekendieven, Havik en Sperwer
Hoge, snelle duikvlucht Slechtvalk en Boomvalk

Deze jachttechnieken zijn niet altijd even specifiek. De Boomvalk combineert zijn jachttechniek soms met die van Sperwer en Havik. Andersom jagen Havik en Sperwer ook wel met stootduiken, b.v. op postduiven. En doen veel roofvogels soms ook aan standjacht vanaf een zitpost. Maar elke jachttechniek vereist een specifieke vleugel- en staartvorm.

 Jachttechniek                                                                   De vleugel- en staartvorm

Zweefvlucht van buizerds en kiekendieven brede en/of lange vleugels en staart voor draagkracht
Verrassingsvlucht van haviken en sperwers korte en brede vleugels en lange staart voor snel wenden.
Duikvlucht van valken smalle lange vleugels en smalle of korte staart voor grote snelheid

Het jachtsucces is meestal minder dan 25%. Prooidieren maken het roofvogels zo moeilijk mogelijk. Muizen doen dat door slechts om de 2 uur een tijdje bovengronds actief te

zijn. En dan wel allemaal tegelijk, waardoor de kans voor elke individuele muis om gegrepen te worden, sterk is verkleind. Een groep spreeuwen balt in de vlucht samen, waardoor ze moeilijk te bejagen zijn. De tactiek van de roofvogel is dan een vogel van de groep te isoleren. Prooien worden altijd met de poten gegrepen. De kop wordt zoveel mogelijk naar achter gehouden om beschadigingen aan de ogen te voorkomen.

Vrouwtjes jagen op andere plekken dan mannetjes. Niet broedende vogels slapen en jagen op andere plekken dan broedende vogels. Jonge vogels worden geweerd van de voedselrijkste plekken.

OVERIGE KENMERKEN, ZINTUIGEN EN RUI

De snavels van roofvogels zijn geschikt voor het losscheuren van vlees; bovensnavel lang met haakpunt en korte ondersnavel. De scherpe zijkanten van de bovensnavel worden gebruikt om een prooi open te snijden. Valken hebben een uitstulping in de bovensnavel, de zgn. valkentand, om de prooi snel met een nekbeet te kunnen doden.

De poten van roofvogels zijn eveneens aangepast om de prooi goed te kunnen vasthouden en doden. Korte poten en korte tenen wijzen erop dat de soort zijn prooi op de grond slaat (Buizerd). Lange poten en lange tenen wijzen op slaan van prooien in de lucht (Havik en Sperwer) of weggrissen van prooi uit hoge vegetaties (Kiekendief). De lange achterteen met lange nagel (Havik) is voor het snel en effectief doden van grotere prooien. De Visarend kan de buitenste teen naar achteren draaien en de tenen zijn aan de onderzijde voorzien van ruwe schubben voor een betere grip op glibberige prooien. De Wespendief heeft korte, weinig gebogen klauwen, geschikt om wespennesten uit te graven. Hij kan er ook zwakke prooien mee grijpen.

Het gezichtsvermogen van roofvogels is fenomenaal. Het aantal lichtgevoelige oogcellen is achtmaal groter dan bij de mens. Bovendien werken roofvogelogen telescopisch, sterk vergrotend dus. Gieren en buizerds kunnen op vele kilometers afstand aas ontdekken of andere roofvogels volgen, die op weg zijn naar een voedselbron. Wespendieven moeten al op grote afstand een wesp kunnen zien. Een Boomvalk ziet op honderden meters afstand een libel. Een Torenvalk ziet met gemak en muis op 300 m afstand. Roofvogelogen zijn ook bifocaal. Zo kunnen ze prooi op grote afstand zien maar ook dichtbij bij het verorberen ervan. Zij kunnen snel scherpstellen (accommoderen), bewegingen, kleuren en contrasten onderscheiden. Waarschijnlijk hebben ze ook een soort telelens in het oog, waarmee ze het beeld sterk kunnen vergroten. Net als ander vogels hebben roofvogels een derde ooglid, dat van voren naar achteren over het oog wordt getrokken, het oog vochtig houdt en sluit bij het slaan van een prooi ter bescherming. Valken jagen op het oog, Kiekendieven, Haviken en Sperwers daarnaast ook op gehoor. Kiekendieven hebben net als uilen een opvallende kopbevedering, een gezichtssluier, die als een geluidsversterker werkt. Bij Gieren speelt ook de reuk, bij het opsporen van aas, een rol.

In tegenstelling met andere vogels, die in een korte tijd hun veren ruien, spreiden roofvogels de rui van slag- en staartpennen over een veel langere periode uit, sommige zelfs over het hele jaar. Bij alle soorten geldt dat vrouwtjes eerder met ruien beginnen dan mannetjes. Hun rui verloopt ook sneller, vooral in de eerste weken en ze ruien meestal gedurende de broedtijd. De mannetjes hebben een tragere, gelijkmatiger rui. Daardoor behouden ze hun optimale vliegvermogen, nodig om prooi te kunnen vangen. Zij moeten immers jagen voor vrouw en jongen. Maar je ziet wel vaak roofvogels met een gat in een vleugel. De wegtrekkers ruien vooral in Afrika.

LEEFGEBIED

Valken en Kiekendieven zijn vooral vogels van open gebieden. Sperwers, Haviken en Buizerds zijn meer bosvogels. Elke roofvogelsoort heeft zijn eigen leefgebied (habitat). Zo vormt een jonge bosaanplant b.v. in de Flevopolders de eerste jaren een broedplaats voor Kiekendieven. Als het jonge bos wat hoger wordt maken de Kiekendieven plaats voor Sperwers en als het bos ouder en nog hoger wordt maken Sperwers weer plaats voor Haviken en Buizerds. Op voedselrijke gronden zoals in Flevo duurt deze natuurlijke successie ca. 15 jaar, op voedselarme zoals de Veluwe ca. 40 jaar. Maar habitatkeuze is in de loop van de jaren verandert. Het oosten van Nederland is door andere gewassen, vooral snijmaïs, voedselarm geworden voor muizen en duiven en daarmee voor veel roofvogels. Voormalige bosvogels als Sperwer en Haviken treffen we nu in de stad en in de polder aan.

Elk volwassen paar roofvogels heeft een territorium, waarvan de grootte afhankelijk is van de hoeveelheid voedsel. Binnen het territorium worden ongepaarde soortgenoten niet geduld Vogels zonder territorium leiden meestal een zwervend bestaan, wachtend op een kans wanneer een van de partners uitvalt.

DE VOORTPLANTING

In het algemeen geldt: hoe groter de vogel, hoe langer het duurt eer ze volwassen zijn en zich kunnen voortplanten. Bij Zee- en Visarend duurt dat 4-5 jaar. Bij Havik, Buizerd en Kiekendief 2-3 jaar, bij Sperwer en Torenvalk 1-2 jaar. Bij groot voedselaanbod gaan soms 1 en 2 jarigen al broeden. De meeste valken, ook de grote, zijn in een jaar geslachtsrijp. Vrouwtjes roofvogels zijn in het algemeen groter en zwaarder dan mannetjes. Zo is de havikvrouw 1.5 x groter dan de man en slaat ze ook grotere prooien. Maar jonge mannetjes verlaten wel als eersten het nest. Waarschijnlijk uit angst voor de grotere vrouwtjes. Volwassen paren broeden niet altijd elk jaar. Bij onvoldoende prooidieren kan het vrouwtje onvoldoende conditie opbouwen voor het produceren van eieren. Daarvoor moet ze gemiddeld eerst tot 20 % in gewicht toenemen. Bij onvoldoende voedsel geven ze een broedsel ook makkelijker op, b.v. bij verstoring.

Nesten, eieren, jongen en broedzorg

Paarvorming en afbakening van het territorium vinden deels al in najaar en winter plaats. In jan. en febr. laten Buizerd (miauwen) en Havik (kekkeren) zich al vaak opvallend zien en horen. Bij de trekvogels komen de mannetjes het eerst terug en beginnen direct na aankomst met territoriumafbakening en balts. De balts gaat onder luid roepen bij de meeste roofvogels vergezeld van indrukwekkende vliegacrobatiek; duik-, stijg- en guirlandevluchten, loopings, buitelingen, schijnaanvallen, achtervolgingen en prooioverdracht. Vaak wordt direct boven de toekomstige nestplaats gebaltst. Alleen valken bouwen geen eigen nest. De overige soorten bouwen grote nesten, die vaak meerdere jaren worden gebruikt en uitgebouwd.

Nesten                                                                                Roofvogelsoort

Nesten op de grond Kiekendieven
Nesten middenhoog in bomen;eigen nest Buizerd, Havik en Sperwer
Kraaiennest of nestkast Boomvalk en Torenvalk

Hoog op kliffen, masten of gebouwen ,

kraaiennest of kast

Slechtvalk

 

 Aantal eieren en jongen              Roofvogelsoort

1-4 eieren en 1-2 jongen Grote roofvogels zoals Arenden
2-6 eieren en 2-4 jongen

Middelgrote roofvogels zoals

Buizerd, Havik en Kieken

4-8 eieren en 4 – 6 jongen

Kleine roofvogels zoals

Sperwer en Torenvalk

   Aantal eieren en broedresultaat zijn in hoge mate afhankelijk van hoeveelheid aanwezige prooidieren, b.v. het jaarlijkse muizenbestand. In het voorjaar copuleren roofvogels 400-500 keer voor bevruchting maar ook voor bandversterking. In het algemeen is het vrouwtje het actiefst bij de nestbouw, broedt meestal alleen en verzorgt alleen de jongen. Pas wanneer de jongen wat groter zijn gaat het vrouwtje ook dicht in de buurt van het nest jagen. Het mannetje jaagt in een veel groter gebied en vangt prooi voor het broedende vrouwtje en de jongen en draagt prooi vaak over aan het vrouwtje.

Het moment van broeden is zo afgestemd dat jonge roofvogels opgroeien in de periode dat het meeste voedsel beschikbaar is. Haviken eind mei/begin juni, wanneer jonge Spreeuwen en Gaaien uitvliegen. Buizerd en Torenvalk iets later, wanneer muizen het talrijkst zijn en de Boomvalk in de zomer wanneer zwaluwen en leeuweriken uitvliegen. Roofvogels hebben meestal 1 legsel per seizoen, bij verlies wordt wel eens een tweede poging gedaan. De broedduur van de meeste roofvogels vanaf het eerste ei bedraagt 31-34 dagen. Bij Buizerd 37, bij Sperwer en Havik zelfs 40 dagen. De eieren zijn meestal wit, licht gevlekt of licht roodbruin bij valken. De nestjongenfase duurt bij de kleine roofvogels ca. 28 en bij de grote ca. 42 dagen. De donsjongen zijn meestal wit of vuilwit. Het eerste donskleed is kort en dun, het tweede lang, ruiger en meestal donkerder. Het vaststellen van het geslacht tijdens de nestfase vindt vooral plaats door het meten van de klauwlengte en via een leeftijdstabel (Bijlsma). Dit is de afstand van nagelpunt middelste teen t/m nagel achterteen. Uitgevlogen jonge roofvogels zijn te herkennen aan het meestal grijsbruine verenkleed van de moeder en de lichte zomen van de rug dekveren. De sterfte bedraagt het eerste jaar gemiddeld 50%, de jaren erna 25% of minder. Hoe groter de soort, hoe ouder ze worden. Jonge vogels zwerven tot honderden km’s ver weg om een eigen territorium te vinden. Bij de trekkers vertrekken de juveniele vogels eerder dan de adulte naar het zuiden.

Polygamie komt algemeen voor bij alle Kiekendieven, vaak gepaard met losse kolonievorming. Een kiekendief heeft dan gewoonlijk 2-3 bij uitzondering 6 vrouwtjes, die op ca. 10-100 m afstand van elkaar nestelen.

Kainsyndroom; Eieren worden met tussenpozen van 2-3 dagen gelegd, maar roofvogels starten in tegenstelling tot de meeste andere vogelsoorten, direct met broeden vanaf het eerste ei, zodat de uitgekomen jongen in leeftijd en grootte verschillen. Bij voedselgebrek pakken de grootste en sterkste jongen de aangevoerde prooi en verhongeren de kleinste jongen. Vooral bij de grotere soorten (arenden) worden deze nestdotjes opgegeten door hun grotere broertjes of zusjes.

Bijzondere bescherming; Sommige andere vogels, o.a. duiven nestelen soms in de directe nabijheid van een bezet roofvogelnest. Zij profiteren dan van de agressieve nestverdediging van die roofvogel. In Nederland komt dat voor bij Boom- en Torenvalk.

De Trek

Ongeveer de helft van alle soorten roofvogels trekt ’s winters zuidwaarts bij gebrek aan voldoende voedsel in het broedgebied. Een aantal verlaat het broedgebied om te gaan zwerven, anderen trekken gericht zuidwaarts naar Spanje, Portugal of Afrika. Echte trekvogels zijn Boomvalk, Visarend, Grauwe Kiekendief en Wespendief omdat ze vooral insecten en vissen eten. Torenvalk, Havik en Buizerd zijn, behalve in Noord-Europa, vooral stand- en zwerfvogel.

De trek van Europese roofvogels naar Afrika is massaal en spectaculair. De trekkende vogels mijden grote watervlakten en de trek verloopt naar het zuiden via zee-engtes. Zoals Fälsterbo, Gibraltar, Istanbul en Eilat. Gibraltar is voor de West Europese roofvogels de oversteekplaats en zij overwinteren in West Afrika. Eilat is voor alle oostelijke vogels de laatste oversteek naar Afrika en zij overwinteren in Oost Afrika. Er passeren daar in de beste jaren onder meer 75.000 Steppearenden, 500.000 Buizerds (Steppebuizerds) en 1.000.000 Wespendieven. Verder Zwarte Wouwen, Aasgieren, Vale Gieren en alle soorten arenden, kiekendieven, valken, haviken en sperwers.

In de winter verblijven veel roofvogels in de nacht op gemeenschappelijke slaapplaatsen.

In de Zeeuwse delta b.v. ca. 30-50 Bruine Kiekendieven, bij Valencia in de Ebro-delta ca. 300 Bruine Kiekendieven. Op mega-slaapplaatsen in West Senegal worden tot 30.000 Kleine Torenvalken geteld en tot 40.000 Zwaluwstaartwouwen. In centraal Senegal tot 6.000 Grauwe Kiekendieven.

Zoals bij de meeste vogels keren de mannetjes het eerst terug om de beste broedterritoria te bezetten.

BELANGRIJKSTE BEDREIGINGEN

De vorige eeuwen van 1750 tot 1950 waren dat roofvogelvervolging en bestrijdingsmiddelen. Roofvogels werden vroeger vooral vervolgd door jagers met geweren, vallen en vergiftigd aas, wegens vermeende voedselconcurrentie. Wat jagers niet voor elkaar kregen n.l. komplete uitroeiing, leek wel in de jaren zestig te gebeuren door grootschalig gebruik van niet-afbreekbare bestrijdingsmiddelen, vooral DDT, dat zich ophoopte in het lichaamsvet. Eischalen werden daardoor broos en braken tijdens het broeden. En in de winter trad acute sterfte op, wanneer vogels hun vetreserves aanspraken. Sinds een gebruiksverbod op deze bestrijdingsmiddelen is het aantal roofvogels spectaculair toegenomen.

Van een kompleet herstel is nog geen sprake en enkele soorten, zoals Boomvalk en Torenvalk, nemen zelfs al weer af. Vooral de overmaat aan stikstof in het milieu leidt in de voedselketen tot veranderingen in dierlijke eiwitten en gebrek aan vitamine B2 wat slechte broedresultaten bij o.a. Sperwers tot gevolg heeft. Ook het stapelvoedsel voor roofvogels en uilen in de vorm van muizen neemt de laatste decennia overal af door intensievere landbouw.

Tegenwoordig worden roofvogels nog steeds vervolgd met gif en geweer door roofvogelhaters uit jacht- en weidevogel bescherming kringen. Jaarlijks wordt, vooral in het noordoosten en zuiden van ons land 20-50% van alle nesten en broedsels van roofvogels vernield of verstoord.

Een nieuwe bedreiging vormen de liefhebbers van roofvogels. Aangestoken door de Harry Potter films en de vele roofvogelshows willen veel volwassenen en kinderen zelf een roofvogel of uil in een kooi. Ook het aantal valkeniers neemt sterk toe.

Om aan deze groeiende vraag naar roofvogels en uilen te voldoen is het aantal in gevangenschap geboren vogels ontoereikend en worden op grote schaal jonge vogels in het wild uit het nest geroofd. Vooral Haviken en Kerkuilen zijn gewild en daarmee zeer bedreigd.

 

Literatuur

- Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels 1996, Rob G. Bijlsma

- Handleiding Veldonderzoek Roofvogels 1997, Rob G. Bijlsma

- Roofvogels en Uilen in Europa 1999, Henk van den Brink

- Veldgids Roofvogels 2005, Benny Gensbol

2015 Marcel Boer/ werkgroep Roofvogels en Uilen, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek